Stuurgroep
Werkgroepen (WG)
De Minister heeft de sturing van de hervorming toevertrouwd aan de Voorzitster van het Directiecomité van de FOD Binnenlandse Zaken, Mevrouw Monique De Knop. Teneinde een optimale visie van de huidige situatie en van de te volgen richting te krijgen, heeft zij zich laten omringen door verschillende deskundigen van de administratie en door mensen van het terrein.
Niet onbelangrijk is dat ook vertegenwoordigers van de Vereniging van Steden en Gemeenten in de stuurgroep zetelen en rechtstreeks bij de verschillende werkstructuren betrokken worden. Hun aanwezigheid toont aan, indien dat nog nodig mocht zijn, dat de Minister en de Voorzitster van de FOD Binnenlandse Zaken willen dat alle betrokken actoren aan die hervorming deelnemen.
top
De verschillende werkgroepen bestaan uit deskundigen afkomstig uit diverse milieus (administratie, mensen van het terrein, vertegenwoordigers van de brandweerfederaties en van de eenheden van de Civiele Bescherming, Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, Union des Villes et Communes de Wallonie, enz.). Zij bestuderen en analyseren technische en specifieke vragen. Daarna stellen zij verslagen op en formuleren zij adviezen aan de stuurgroep zodat die laatste met kennis van zaken beslissingen kan nemen.
Momenteel zijn er 8 werkgroepen (WG). Elke werkgroep is belast met de uitvoering van één welbepaald aspect van de hervorming:
top
Deze werkgroep ontwikkelt de koninklijke besluiten betreffende de werkomstandigheden van het personeel van de toekomstige hulpverleningszones. De bevoegdheden van de werkgroep zijn echter niet beperkt tot de rechten en plichten van het operationele personeel.
Concreet gezien is de werkgroep belast met de opstelling van de volgende wettelijke teksten:
- Koninklijk besluit tot vaststelling van het minimumkader van het administratieve en operationele personeel van de hulpverleningszones;
- Koninklijk besluit inzake de inhoud en de modaliteiten van de overeenkomst die afgesloten moet worden tussen de zone en de werkgever wat de beschikbaarheid van de vrijwillige brandweerman betreft;
- Koninklijk besluit houdende het administratief en geldelijk statuut van het administratieve en operationele personeel van de hulpverleningszones;
- Koninklijk besluit betreffende het functieprofiel, de selectie en de evaluatie van de zonecommandant;
- Koninklijk besluit houdende het administratief en geldelijk statuut van het operationele personeel van de operationele eenheden van de Civiele Bescherming.
Binnen deze werkgroep zal eveneens een voorontwerp van wet tot regeling van de pensioenen van het zonepersoneel opgesteld worden.
Project 1 – Koninklijk besluit tot vaststelling van het minimumkader van het administratieve en operationele personeel van de hulpverleningszones.
Artikel 102 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid vormt de wettelijke basis van dit koninklijk besluit. Dat artikel bepaalt dat dit koninklijk besluit ter goedkeuring aan de Ministerraad voorgelegd zal moeten worden.
De omvang van het personeelsbestand van een zone zal evenredig zijn met de omvang van de zone en de op haar grondgebied aanwezige risico’s.
Project 2 – Koninklijk besluit inzake de inhoud en de modaliteiten van de overeenkomst die afgesloten moet worden tussen de zone en de werkgever wat de beschikbaarheid van de vrijwillige brandweerman betreft.
Artikel 104 van de wet van 15 mei 2007 vormt de basis van dit besluit. Het gaat hier eveneens om een besluit dat ter goedkeuring aan de Ministerraad voorgelegd moet worden.
De bedoeling van dit koninklijk besluit is het opstellen van een modelovereenkomst, die elke vrijwilliger zal moeten afsluiten met zijn werkgever, waarin de modaliteiten en de voorwaarden voor de vrijwilliger om zijn werk te mogen verlaten om deel te nemen aan oefeningen, opleidingen en operaties bij de brandweerdiensten, vermeld worden.
Voor de uitvoering van dit besluit is een samenwerking nodig met de FOD Financiën en de FOD Sociale Zaken teneinde te onderhandelen over eventuele fiscale voordelen of verminderingen van de werkgeversbijdragen voor de ondernemingen die hun werknemers ter beschikking laten van de brandweerdiensten.
Project 3 – Koninklijk besluit houdende het administratief en geldelijk statuut van het administratieve en operationele personeel van de zones.
De wettelijke basis van dit besluit wordt gevormd door artikel 106 van de wet van 15 mei 2007. Dit besluit moet tevens ter goedkeuring voorgelegd worden aan de Ministerraad.
Dit koninklijk besluit strekt ertoe een éénvormig statuut te ontwikkelen voor het personeel van de hulpverleningszones. Er moet evenwel gepreciseerd worden dat het niet mogelijk, noch wenselijk is, te komen tot een volledige uniformering. Het operationele personeel zal bijvoorbeeld moeten voldoen aan bepaalde vereisten wat de lichamelijke vaardigheden betreft. Dergelijke vereisten kunnen niet opgelegd worden aan het administratieve personeel. Wat het operationele personeel betreft, zal er bovendien rekening gehouden worden met de bijzondere situatie van de vrijwilligers.
De Juridische Dienst van de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid heeft vorig jaar reeds een eerste ontwerp van koninklijk besluit opgesteld. Die tekst zal door de werkgroep gebruikt worden als uitgangspunt. Het is immers onontbeerlijk om eerst enkele mogelijkheden en denkpistes te onderzoeken alvorens een voorstel aan de Minister te bezorgen. Rekening houdend met diverse scenario’s zal er uiteindelijk een beslissing genomen kunnen worden die de desiderata van het terrein en de beschikbare financiële middelen zo goed mogelijk met elkaar verzoent.
Project 4 – Koninklijk besluit betreffende het functieprofiel, de selectie en de evaluatie van de zonecommandant.
Dit besluit is gebaseerd op de artikelen 113 en 116 van de wet van 15 mei 2007 en moet niet voorgelegd worden aan de Ministerraad.
In een eerste fase zullen de gelijkaardige functieprofielen geanalyseerd worden. Daartoe zal de werkgroep zich baseren op de profielen van de regiocommandant (Nederland) en de departementsdirecteur (Frankrijk). Er zal ook in het bijzonder aandacht besteed worden aan de vereisten vermeld in het functieprofiel van de Commissaris-generaal van de Federale Politie en van de korpschef van de Lokale Politie.
Project 5 – Koninklijk besluit houdende het administratief en geldelijk statuut van het operationele personeel van de operationele eenheden van de Civiele Bescherming.
Artikel 156 van de wet van 15 mei 2007 vormt de wettelijke basis van dit besluit. Het moet eveneens ter goedkeuring voorgelegd worden aan de Ministerraad.
Voor het personeel van de operationele eenheden van de Civiele Bescherming zal een specifiek statuut ontworpen worden. Dat statuut zal natuurlijk rekening moeten houden met de bepalingen opgenomen in het statuut van het personeel van de hulpverleningszone.
Samenstelling van de WG Statuut
- Jan Jorissen (Brandweer Vereniging Vlaanderen);
- Arne Stoffels (Brandweer Vereniging Vlaanderen);
- Marc Gilbert (Voorzitter van de Koninklijke Belgische Brandweerfederatie);
- Philippe Staquet (Koninklijke Belgische Brandweerfederatie);
- Wim Van Zele (Beprobel);
- Guy Verslycken (Beprobel);
- Kris Versaen (Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten);
- Caroline Francotte («Union des Villes et Communes de Wallonie»);
- John Robert («Union des Villes et Communes de Wallonie»);
- Stefan Hovart (Dienst Personeel en Organisatie, FOD Binnenlandse Zaken);
- Ivo Brisaert (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, Juridische Directie, FOD Binnenlandse Zaken);
- Bart Gheysens (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, Juridische Directie, FOD Binnenlandse Zaken);
- Jan Laarmans (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, Juridische Directie, FOD Binnenlandse Zaken).
top
Deze werkgroep ontwikkelt een federaal administratief en geldelijk statuut voor het huidige gemeentepersoneel van de centrales 100-112. Op termijn zullen die centrales gefederaliseerd worden en een ander organisatiemodel krijgen, waarvoor een federaal en éénvormig statuut noodzakelijk is.
Deze werkgroep zal ook een koninklijk besluit betreffende een autonome dispatching van de brandweerdiensten voorbereiden. Die dispatching neemt een sleutelpositie in binnen de organisatie van de door de brandweerdiensten verleende hulp, met name wat de toepassing van het principe van de snelste adequate hulp betreft. Een hervorming van de werkingsstructuur is derhalve nodig. Om de brandweerdispatching te kunnen installeren, is minstens een organisatiestructuur nodig die compatibel is met:
- de andere betrokken structuren en organen;
- de taken van de brandweerdispatching;
- de andere nodige voorzieningen.
Momenteel worden de oproepen betreffende de dringende medische hulpverlening en/of de brandweer behandeld door de dienst 100-112. De operatoren beantwoorden de oproep, ondervragen de oproeper en sturen het snelste interventiemiddel ter plaatse. Zij zorgen dus voor de call taking en de dispatching van de oproep (met uitzondering van de ziekenwagens is de dispatching beperkt tot het ter plaatse sturen van hulp, zonder de opvolging ervan te verzekeren). De oproepen inzake politionele hulp worden behandeld door de dienst 101. In dat geval beantwoordt een call taker de oproep en wordt de dispatching verzekerd door een dispatcher. Die dispatching is evenwel ruimer dan het louter ter plaatse sturen van het middel en omvat de opvolging, de aanpassing, de coördinatie, enz.
In de toekomst zal elke oproep 100, 101 of 112 teneinde dringend hulp te krijgen, beantwoord worden door een neutrale call taker. Het principe van de neutrale call taking was reeds opgenomen in de programmawet van 9 juli 2004. Die call taker zal instaan voor de eerste verwerking, terwijl de dispatcher van de bevoegde discipline de informatie op zijn scherm zal ontvangen in reële tijd. Er zal niet alleen een splitsing zijn tussen de call taking en de dispatching in de huidige centrales 100-112, maar ook tussen de dispatching van de politie, de medische diensten en de brandweerdiensten.
Momenteel wordt het model voor een autonome dispatching van de brandweerdiensten uitgewerkt. Daartoe baseert de werkgroep zich op een organisatiemodel waarbij de dispatching op provinciaal vlak gebeurt, zonder natuurlijk de bevoegdheden van de chef van de operaties in gevaar te brengen. Er is bovendien voorzien dat de zone voldoende informatie zal krijgen van de provinciale dispatching over het statuut van het materieel en het personeel dat de zone nodig heeft om haar taken correct uit te voeren.
De werkgroep analyseert momenteel de processen betreffende de taken die specifiek door de huidige centrales 100-112 uitgevoerd worden voor de brandweerdiensten. Die procesanalyse zal als basis dienen om de minimale dienstverlening van de brandweerdispatching aan de zones vast te leggen, alsook de taken die de dispatching in dat kader moet uitvoeren. Dankzij die analyse zal bovendien een éénvormige interpretatie van de inhoud van die taken mogelijk zijn.
Wanneer het organisatiemodel, de verschillende functies en de taken van de dispatching vastgelegd zijn, zal de werkgroep ontwerpen van statuut voor de dispatchers opstellen, rekening houdend met de daarmee gelijklopende ontwikkelingen inzake neutrale call taking, politie en medische dispatching.
Wat de inhoud van het statuut betreft, kan een onderscheid gemaakt worden tussen 2 categorieën van bepalingen. Enerzijds zouden, aangezien de dispatchers federale personeelsleden zouden worden, een groot aantal bepalingen (hoofdzakelijk de algemene bepalingen) die gelden voor het personeel van de federale overheidsdiensten, overgenomen worden van het statuut van het Rijkspersoneel. Anderzijds zouden, aangezien het om een specifieke personeelsgroep gaat, een bepaald aantal bijzondere bepalingen uitgewerkt moeten worden. Het is dus de bedoeling om een statuut “sui generis” te ontwikkelen.
Dat nieuwe statuut zal natuurlijk een ruim overgangsstelsel bevatten voor het personeel dat momenteel in de centrales 100-112 werkt, opdat het zou kunnen genieten van het nieuwe federale statuut, zonder de rechten van hun oud gemeentelijk statuut te verliezen.
Samenstelling van de WG Dispatching
- Anouk Pattyn (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, Cel Hervorming, FOD Binnenlandse Zaken);
- Frank Lippens (voorzitter beleidsgroep 112);
- Wim Liekens (directeur CIC’s, federale politie);
- Greet Spiessens (kabinet Binnenlandse Zaken);
- Olivier Guislain (Koninklijke Belgische Brandweerfederatie);
- Hugo Simons (Brandweer Vereniging Vlaanderen);
- Yves Pieters (expert)
- Sofie Van Houtte (expert);
- Marc Looze (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, FOD Binnenlandse Zaken);
- Axel Ziwny (FOD Binnenlandse Zaken);
- Joke Bonte (FOD Binnenlandse Zaken);
- Marc Bronselaer (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, FOD Binnenlandse Zaken);
- Tanguy Du Bus de Warnaffe (Beprobel);
- Hervé Fanuel (expert).
top
Deze werkgroep voert alle bepalingen van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid uit die betrekking hebben op de financiële en budgettaire kwesties. De groep moet meer in het bijzonder zorgen voor de opstelling van de koninklijke besluiten tot vastlegging van:
- de dotaties van de gemeentes en de federale dotatie;
- de regels betreffende de overdracht van de goederen;
- het profiel, de rechten en de plichten van de bijzonder rekenplichtige;
- de regels betreffende het financiële beheer van de hulpverleningszones.
De werkgroep zal zich eveneens buigen over de evaluatie van de budgettaire effecten van de instelling van de hulpverleningszones, alsook over de mogelijke financieringsmiddelen van de zones.
Concreet gezien betekent dit dat de werkgroep 6 ontwerpen van koninklijk besluit ter uitvoering van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid, zal moeten beheren:
- Vaststelling van de huidige financiering van de brandweerdiensten door de gemeenten en vastlegging van de door de Staat ter beschikking gestelde budgettaire middelen (uitvoering van artikel 67);
- Vastlegging en storting van de federale dotatie en de dotaties van de gemeentes aan de hulpverleningszones (uitvoering van de artikelen 68 en 69);
- Opstelling van de budgettaire regels van de hulpverleningszones en van een model van boekhoudkundig plan (uitvoering van de artikelen 86, 92, 134 en 144);
- Vastlegging van het profiel en van de rechten en de plichten van de bijzonder rekenplichtige van de hulpverleningszone (uitvoering van de artikelen 73, 74, 77 en 79);
- Vastlegging van de regels inzake inventaris, schatting en terbeschikkingstelling van de roerende en onroerende goederen voor de hulpverleningszones (uitvoering van de artikelen 212, 213, 215 en 216);
- Evaluatie van de financiële impact van de instelling van de hulpverleningszones.
Aangezien sommige ontwerpen zeer technisch zijn, heeft de werkgroep Financiering besloten een beroep te doen op deskundigen, namelijk de ontvangers. Er werd dus een sub-werkgroep Financiering opgericht. Naast hun bijdrage aan ontwerp 1, zullen de ontvangers belast zijn met de opstelling van de ontwerpen 3, 4 en 5. De twee groepen werken nauw samen en hun taken kunnen niet gescheiden worden. Alle documenten die opgesteld worden door de ontvangers in hun hoedanigheid van boekhoudkundige en budgettaire deskundigen, worden voor validatie voorgelegd aan de werkgroep Financiering.
top
Project 1: Vaststelling van de huidige financiering van de brandweerdiensten door de gemeenten en vaststelling van de door de Staat ter beschikking gestelde budgettaire middelen.
Dit project stemt overeen met de uitvoering van artikel 67 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de Civiele Veiligheid. Het bestaat erin de bedragen te noteren van de inkomsten- en uitgavenposten betreffende de financiering van de brandweerdienst in de rekeningen van de gemeentelijke en federale overheden op datum van 31 december 2007. Op basis van die informatie moet vervolgens de verhouding bepaald worden tussen de middelen van de gemeentes en de middelen van de Staat. De verzameling van die informatie zal als uitgangspunt dienen voor de vastlegging van de budgettaire middelen die de Staat ter beschikking zal moeten stellen van de hulpverleningszones om de werking ervan te verzekeren.
Momenteel gebeurt de financiering van de brandweerdiensten hoofdzakelijk op lokaal niveau. De centrumgemeente voorziet de nodige budgetten en de beschermde gemeentes leveren een bijdrage voor die financiering (wederzijdse verdeling van de hulp). Momenteel is er nog geen directe federale inbreng. De Staat draagt ongeveer 10% bij (20% volgens de bronnen) door de toekenning van subsidies via:
- het Seveso-fonds;
- het nucleair fonds;
- de geglobaliseerde fondsen;
- de subsidies toegekend aan de opleidingsscholen.
Door de hervorming zal een herfinanciering van de brandweerdiensten mogelijk zijn, met name door middel van een federale dotatie (cf. art. 67 van de wet) en doordat de Staat de meerkosten van de hervorming op zich zal nemen.
Teneinde deze bepaling uit te voeren, heeft de werkgroep een formulier ontwikkeld om bij de gemeentes de informatie betreffende hun inkomsten en hun uitgaven voor de brandweerdienst te verzamelen. Dat formulier is naar de gouverneurs opgestuurd samen met een omzendbrief en een verklarende nota.
Project 2: Vastlegging en storting van de federale dotatie en de dotaties van de gemeenten aan de hulpverleningszones.
Dit ontwerp stemt overeen met de uitvoering van de artikelen 68 en 69 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid. Het strekt ertoe de vastlegging en de storting van de federale dotatie en de dotaties van de gemeentes aan de hulpverleningszones mogelijk te maken. Daartoe is het noodzakelijk formules te ontwikkelen en principes voor de berekening van de verschillende dotaties uit te werken. De wet voorziet 5 criteria waarmee bij die berekeningen rekening moet worden gehouden:
- de actieve en residentiële bevolking;
- de oppervlakte;
- het kadastraal inkomen;
- het belastbaar inkomen;
- de risico’s.
De dotaties van de gemeenten worden in principe jaarlijks vastgelegd bij een besluit van de raad van de zone, op basis van het akkoord bereikt tussen de verscheidene betrokken gemeenteraden. De bij koninklijk besluit vastgelegde formule zal enkel toegepast worden bij gebrek aan dergelijk akkoord.
Momenteel werkt de werkgroep aan de inhoud van de door de wet voorziene criteria om de berekeningsformules en –principes vast te leggen. Die opdracht is bijna volbracht.
Project 3: Opstelling van de budgettaire regels van de hulpverleningszones en van een model van boekhoudkundig plan.
Dit ontwerp stemt overeen met de artikelen 86, 92, 134 en 144 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid. Het strekt ertoe de budgettaire regels van de hulpverleningszones uit te werken, alsook een model van boekhoudkundig plan. Het is uiteindelijk de bedoeling de hulpverleningszones de mogelijkheid te bieden een boekhoudkundig plan bij te houden en een budgettair beheer te verzekeren.
Project 4: Vastlegging van het profiel en van de rechten en de plichten van de bijzonder rekenplichtige van de hulpverleningszone.
Dit ontwerp stemt overeen met de uitvoering van de artikelen 73, 74, 77 en 79 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid. De hulpverleningszones zullen moeten beschikken over een bijzonder rekenplichtige, net zoals de gemeentes beschikken over een ontvanger. Het profiel van de bijzonder rekenplichtige van de hulpverleningszone, alsook zijn rechten en plichten zullen vastgelegd worden in het kader van dit ontwerp.
Project 5: Vastlegging van de regels inzake inventaris, schatting en terbeschikkingstelling van de roerende en onroerende goederen voor de hulpverleningszones.
Dit ontwerp stemt overeen met de uitvoering van de artikelen 212, 213, 215 en 216 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid. Het strekt ertoe de inventaris- en schattingsregels vast te leggen van de roerende goederen die overgedragen moeten worden van de gemeenten naar de hulpverleningszones, alsook de voorwaarden inzake terbeschikkingstelling en de regels voor schatting van de onroerende goederen, zodat de hulpverleningszones over gebouwen en materieel kunnen beschikken.
Project 6: Evaluatie van de financiële impact van de instelling van de hulpverleningszones.
In het kader van dit ontwerp zal de werkgroep de financiële impact (in termen van nettokosten voor de zone) van de instelling van de hulpverleningszones evalueren en de financieringsmiddelen van de zones identificeren.
Samenstelling van de WG Financiering
- Vran Sran (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, Cel Hervorming, FOD Binnenlandse Zaken);
- Eveline Strobbe (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, Cel Hervorming, FOD Binnenlandse Zaken);
- Gerd Van Cauwenberghe (Provincie Antwerpen);
- Mevrouw Verrezen (Provincie Antwerpen);
- Marie-Lyne Sapin (Provincie Namen);
- Kris Versaen (Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten);
- John Robert («Union des Villes et Communes de Wallonie»);
- Thibaut Comte (Brandweer Vereniging Vlaanderen);
- Kurt Debruyne (Inspectie van Financiën);
- Philippe Staquet (Koninklijke Belgische Brandweerfederatie);
- Olivier Guislain (Koninklijke Belgische Brandweerfederatie);
- Alain Damit (Beprobel);
- Kristof Goossens (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, Directie Materieel, FOD Binnenlandse Zaken);
- Jan Derez (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, Financiële Directie, FOD Binnenlandse Zaken);
- Ahmed Sidki (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, Financiële Directie, FOD Binnenlandse Zaken).
Samenstelling van de sub-WG Financiering
- Vran Sran (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, Cel Hervorming, FOD Binnenlandse Zaken);
- Eveline Strobbe (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, Cel Hervorming, FOD Binnenlandse Zaken);
- Ahmed Sidki (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, Financiële Directie, FOD Binnenlandse Zaken);
- Dany Detrembleur (gewezen ontvanger);
- Marc Fondeur (gemeenteontvanger);
- Kaya Mehmet (gemeenteontvanger);
- Eddy Ramaekers (gemeenteontvanger);
- Cathy Brouckaert (stadsontvanger);
- Thibaut Comte (Brandweer Vereniging Vlaanderen).
top
Deze werkgroep werkt 6 ontwerpen van koninklijk besluit ter uitvoering van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid (schema van de ontwerpen van WG 4 – Pdf 15 Ko) uit:
- Inhoud en minimale voorwaarden van de risicoanalyse (uitvoering van artikel 5);
- Minimale voorwaarden van de snelste adequate hulp en van de adequate middelen (uitvoering van artikel 6);
- Berekening van de minimale middelen inzake operationeel personeel en materieel (uitvoering van de artikelen 102 en 119);
- Minimale operationele structuren (uitvoering van artikel 21);
- Modaliteiten inzake de organisatie van de brandvoorkoming (uitvoering van artikel 177);
- Minimale inhoud en structuur van het meerjarenbeleidsplan (uitvoering van artikel 23).
De projecten en 2 worden momenteel bestudeerd:
Project 1: Risicoanalyse.
In 2005 heeft de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid een software ontwikkeld teneinde een optimaal netwerk van brandweer- en hulpposten uit te bouwen, met de hulp van een consortium van universiteiten en van de vennootschap Adhoc Solutions, die momenteel Experian heet. Daarom wordt er voortaan gesproken over de software Experian.
Die software is operationeel sinds 2006. Hij wordt echter redelijk weinig gebruikt, omdat hij tot nu toe niet de verwachte resultaten geleverd heeft (die software toonde met name aan dat er zeer veel brandweer- en hulpposten moesten bijkomen om de doelstelling van de 8 minuten interventietijd, zoals vermeld door de Commissie Paulus, te behalen).
Werkgroep 4 had onmiddellijk belangstelling voor de objectieve en éénvormige analyse van de risico’s over het hele Belgische grondgebied. De software Experian wordt dus grondig geanalyseerd, voornamelijk op het vlak van de genuanceerde vastlegging van de talrijke parameters die vóór elke optimalisatieberekening ingevoerd moeten worden en die de werkhypotheses van de software vormen. Het is de bedoeling om in fine identieke parameters voor het hele Belgische grondgebied te bekomen teneinde een optimaal aantal en een optimale inplanting te kunnen bepalen van de hulp- en brandweerposten in overeenstemming met de budgettaire voorschriften en de realiteit van het terrein.
Project 2: Snelste adequate hulp.
Teneinde de door de wet aan de zone toevertrouwde opdrachten autonoom te vervullen, zal de hulpverleningszone een netwerk van brandweer- en hulpposten moeten oprichten en organiseren. Die zullen over het nodige materieel en personeel moeten beschikken om voor een interventie minimale middelen te kunnen inzetten binnen een welbepaalde maximale tijdspanne. Die inzet betekent de adequate hulp die garant moet staan voor de kwaliteit van de operationele opdracht en een voldoende veiligheidsniveau voor het personeel.
De hulpverlening werd reeds georganiseerd krachtens de ministeriële omzendbrieven van 9 augustus 2007 en 1 februari 2008, volgens het principe van de snelste adequate hulp, maar op basis van de huidige wet van 31 december 1963.
Door de wet van 15 mei 2007 moet dat systeem verder uitgewerkt worden in het kader van de nieuwe organisatie van de operationele diensten van de hulpverleningszone. Daarom heeft werkgroep 4 een lijst van standaardinterventies opgemaakt en de minimale middelen inzake in te zetten personeel en materieel vastgelegd, met inbegrip van de middelen voor de dekking van de bijzondere risico’s, alsook de maximale inzettermijnen van elk van die middelen.
Samenstelling van de WG Technische aspecten
De werkgroep belast met de bestudering van de operationele aspecten van de hervorming, bestaat uit brandweermannen en een jurist:
- Dirk Broeckx (Brandweer Vereniging Vlaanderen);
- Wouter Van Den Broeck (Brandweer Vereniging Vlaanderen);
- Wim Petit (Brandweer Vereniging Vlaanderen);
- Philippe Staquet (Koninklijke Belgische Brandweerfederatie);
- Philippe Vos de Wael (Koninklijke Belgische Brandweerfederatie);
- Serge Lauwerier (Koninklijke Belgische Brandweerfederatie);
- Bart Gheysens (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, Juridische Dienst, FOD Binnenlandse Zaken);
- Jean-Paul Filbiche (Civiele Bescherming);
- Bernard De Kimpe (Civiele Bescherming);
- Tanguy Du Bus de Warnaffe (Beprobel) ;
- Olivier Guislain (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, Cel Hervorming, FOD Binnenlandse Zaken).
top
De voorbereidende werkzaamheden betreffende de oprichting van de Algemene Inspectie werden toevertrouwd aan een werkgroep bestaande uit interne en externe deskundigen, onder wie een aantal vertegenwoordigers van de operationele diensten (brandweerdiensten en Civiele Bescherming).
Tijdens de vergaderingen zal de werkgroep de opdrachten van de inspectie, de werkmethodologie, de organisatie en het budget moeten preciseren. Elke belangrijke fase zal door de stuurgroep gevalideerd worden.
Teneinde de vastgelegde termijnen te respecteren, werd een werkplanning opgemaakt. De opdrachten en de werkmethodologie van de inspectie werden reeds gedefinieerd. De volgende fase bestaat uit het definiëren van de organisatie van de Algemene Inspectie (met name het personeelskader en de diensten die deel zullen moeten uitmaken van de Algemene Inspectie of die opgericht zullen moeten worden).
De Algemene Inspectie in het kort
De wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid voorziet de oprichting van een Algemene Inspectie van de operationele diensten van de Civiele Veiligheid en regelt bepaalde werkingsprincipes ervan. Het werk van de inspectie zal grotendeels bestaan uit:
- het controleren van de operationele diensten van de Civiele Veiligheid (hulpverleningszones + operationele eenheden van de Civiele Bescherming);
- het controleren van de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen;
- het formuleren van adviezen en suggesties voor elke maatregel die de organisatie en de werking zou kunnen verbeteren;
- het formuleren van adviezen en suggesties inzake brandvoorkoming.
De inspectie hangt rechtstreeks af van de Minister van Binnenlandse Zaken, waardoor zij de nodige onafhankelijkheid heeft bij de uitoefening van haar opdrachten. Zij zal optreden op basis van de principes inzake professionalisme, onafhankelijkheid en objectiviteit. Zij zal streven naar een zo groot mogelijke transparantie in haar werkwijze.
De inspectie zal handelen op eigen initiatief, op bevel van de Minister, of nog op verzoek van de burgemeester, de gouverneur of de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, de zoneoverheid of de zonecommandant, elkeen in het kader van zijn bevoegdheden.
Elke inspectie zal het voorwerp uitmaken van een verslag dat aan de verzoekende overheid en aan de voormelde overheden meegedeeld wordt. Wanneer zij een overtreding van de reglementering vaststelt, zal zij de termijn waarbinnen die overtreding hersteld moet worden, preciseren.
Samenstelling van de WG Inspectie
- Dries Willems (brandweerinspecteur, FOD Binnenlandse Zaken);
- Vincent Turlot (brandweerinspecteur, FOD Binnenlandse Zaken);
- Alfons De Veuster (brandweerinspecteur, FOD Binnenlandse Zaken);
- Philippe Simon (brandweerinspecteur, FOD Binnenlandse Zaken);
- Jan De Saedeleer (brandweerinspecteur, FOD Binnenlandse Zaken);
- Marc Gilbert (Voorzitter van de Koninklijke Belgische Brandweerfederatie);
- Guy Van de Gaer (Directeur Brandweer Vereniging Vlaanderen);
- Paul Froeyman (Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk, FOD Binnenlandse Zaken);
- Els Goddro (Interne Inspectie, FOD Binnenlandse Zaken);
- Ronald Alens (Algemene Inspectie van de Federale Politie en de Lokale Politie);
- Jean-Marc Dedoyard (Civiele Bescherming)
- François Henry (Beprobel).
top
Deze groep staat in voor de communicatie rond de hervorming. Er werd dus een beleidsplan ontwikkeld dat ter goedkeuring voorgelegd werd aan de stuurgroep. Dat document heeft twee hoofddoelen: enerzijds bepaalt het de filosofie die de communicatie ondersteunt en anderzijds geeft het een overzicht van de verschillende communicatieacties die op relatief korte termijn ontwikkeld zullen worden.
Het beleidsplan inzake communicatie vormt evenwel eerst en vooral een werkinstrument. Dat betekent dat het voldoende soepel en flexibel moet zijn om aangepast te kunnen worden aan de actualiteit en aan de behoeften van de verschillende doelgroepen.
De stuurgroep heeft gekozen voor transparantie. De communicatieacties moeten leiden tot gedachtewisselingen en dialoog. Zij dienen dus:
- transparant,
- onpartijdig,
- en aangepast te zijn aan de verwachtingen en behoeften van de personen tot wie de boodschap gericht is.
Met dit doel voor ogen werd een woordvoerster aangenomen. Zij vormt het enige contactpunt en zal al uw vragen over de hervorming beantwoorden. Aarzel dus niet om onze woordvoerster te contacteren.
De eerstkomende communicatieacties zijn de volgende:
- Regelmatige bijwerking van de website om u op de hoogte te houden van de vorderingen van de verschillende werkgroepen;
- Opstarting van een nieuwsbrief;
Samenstelling van de WG Communicatie
- Olivier Maerens (Directeur Communicatie, FOD Binnenlandse Zaken);
- Benoît Ramacker (Algemene Directie Crisiscentrum, FOD Binnenlandse Zaken);
- Yves Naesen (Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid, FOD Binnenlandse Zaken);
- Ophélie Boffa (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, FOD Binnenlandse Zaken);
- Olivier Vandenplas (Centrale Cel voor Informatie en Communicatie, FOD Binnenlandse Zaken);
- Nadia Benini (woordvoerster van de hervorming, Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, Cel Hervorming, FOD Binnenlandse Zaken);
- Koen Vanschuerbeeck (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, Cel Hervorming, FOD Binnenlandse Zaken);
- Dolores Somma (Kabinet van de Minister van Binnenlandse Zaken);
- Marc Gilbert (Voorzitter van de Koninklijke Belgische Brandweerfederatie);
- Joëlle Brouillard (Civiele Bescherming);
- Filiep Dekiere (Beprobel);
- Marc Coen (Brandweer Vereniging Vlaanderen).
top
De Civiele Veiligheid bestaat uit twee operationele onderdelen: de brandweerdiensten en de eenheden van de Civiele Bescherming.
De brandweerdiensten tellen ongeveer 17.000 leden waaronder 5.000 beroepsmensen verdeeld over 250 korpsen. De Civiele Bescherming bevat ongeveer 1.700 leden waaronder 600 beroepsmensen verdeeld over 6 federale operationele eenheden voor het hele nationale grondgebied.
Terwijl de brandweerdiensten door de aard van hun opdrachten dichter bij de burger staan, is de Civiele Bescherming een tweedelijndienst waarvan de opdrachten versterking bieden aan de «eerstelijnopdrachten» en meer gespecialiseerde technieken vereisen.
Momenteel zijn de opdrachten van de twee diensten bij koninklijk besluit van 7 april 2003 verdeeld tussen de openbare brandweerdiensten en de operationele eenheden van de Civiele Bescherming.
Teneinde een coherente hervorming van de Civiele Veiligheid te verzekeren, werd die groep deskundigen belast met het onderzoeken van de mogelijkheden op termijn een geïntegreerd platform inzake Civiele Veiligheid te ontwikkelen. Door te zoeken naar samenwerkingsverbanden en complementariteit bij de uitoefening van de opdrachten en bij het gebruik van de middelen van de twee diensten, beoogt men een optimale werking van de operationele disnten van de Civiele Veiligheid.
«Een geïntegreerde en coherente hervorming van de Civiele Veiligheid verzekeren», wat betekent dat concreet?
- De optimale ontwikkeling van de capaciteiten van de operationele diensten verzekeren, op basis van de reële operationele behoeften, om de efficiëntie van de interventie van de hulpdiensten te garanderen.
- Een ware complementariteit van de diensten.
- Diensten die een gemeenschappelijke cultuur hebben.
- De kennis en het beheer van de wederzijdse capaciteiten verbeteren.
- Het globale beheer van de operationele kennis verbeteren.
- De middelen (inzake materieel en personeel) rationaliseren en economische schaalvoordelen tot een goed einde brengen.
- De naleving van de internationale normen verzekeren.
Op basis van een analyse van de bestaande situatie en naargelang van de te bereiken doelstellingen in het kader van de hervorming van de hulpdiensten, heeft de werkgroep verschillende graden van mogelijke integratie van de twee diensten in aanmerking genomen en voor de toekomst 3 scenario’s ontwikkeld.
De stuurgroep heeft het tussenscenario gevalideerd, namelijk een perfecte complementariteit van de twee diensten en dus een georganiseerde verdeling van de middelen (personeel, materieel en procedures) en de opdrachten in de zones met gespecialiseerde federale interventiemodules (Civiele Bescherming).
De eerste fase van aanwending van dat scenario is de vastlegging van de complementariteit van de opdrachten tussen de twee diensten en de drempels voor oproepen ter versterking.
Samenstelling van de WG Geïntegreerde Civiele Veiligheid
- Anne Baetens (Federaal Kenniscentrum voor de Civiele Veiligheid);
- Patrick Broeckx (Civiele Bescherming);
- Edwin Van der Eecken (Civiele Bescherming);
- Karel De Hoon (Civiele Bescherming);
- Jean-Paul Leroy (Civiele Bescherming);
- Bert Swijsen (Brandweer Vereniging Vlaanderen);
- Gert Van Bortel (Brandweer Vereniging Vlaanderen BASF);
- Philippe Staquet (Koninklijke Belgische Brandweerfederatie);
- Olivier Guislain (Koninklijke Belgische Brandweerfederatie);
- Philippe Filleul (Koninklijke Belgische Brandweerfederatie);
- Leo Van Eyndhoven (Beprobel);
- Thomas de Paepe (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, Directie Opleiding, FOD Binnenlandse Zaken).
top
De organisatie van en het beleid inzake de brandweer is een federale bevoegdheid gebleven. In de meeste Belgische gemeentes is de brandweerdienst een gemeentelijke dienst. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest besliste een pararegionale instelling op te richten die belast is met de uitoefening van de taken betreffende de brandweer en de brandvoorkoming. Die instelling wordt “Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp” (DBDMH) genoemd. Ze valt onder de bevoegdheid van de Minister van Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp van de Brussels Hoofdstedelijk Regering.
Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is bevoegd voor de organisatie van zijn pararegionale instelling, maar moet daarbij rekening houden met de wijze waarop de federale overheid het geheel van de brandweerdiensten in het algemeen wil organiseren. Zo moet het Gewest bij de opstelling van het statuut voor haar brandweerpersoneel rekening houden met de door de federale overheid vastgelegde algemene bepalingen voor het brandweerstatuut. Anderzijds moet de federale overheid de nodige speelmarge voorzien opdat het gewest zijn instelling op wettelijke wijze kan organiseren en een concreet statuut voor het personeel van de brandweerdienst kan uitwerken. Na de hervorming zal het personeel van de brandweerdienst van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest nog steeds afhangen van het Gewest, in tegenstelling tot het personeel van de andere brandweerdiensten dat, zodra de hervorming van toepassing zal zijn, zonaal personeel zal worden.
Aangezien de bevoegdheden van het Gewest raken aan de bevoegdheden van de federale overheid wat de brandweer en de brandvoorkoming betreft en aangezien de twee overheden, elk op hun terrein, een degelijk beleid moeten kunnen voeren, is overleg noodzakelijk. Werkgroep 8 van de hervorming van de Civiele Veiligheid strekt er dus toe eventuele problemen in de nieuwe regelgeving betreffende de hervorming van de Civiele Veiligheid te vermijden. Bovendien beoogt werkgroep 8 een betere samenwerking inzake brandbestrijding en brandvoorkoming tussen de federale overheid en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Samenstelling van de WG Brussel
- Jan Laarmans (Algemene Directie van de Civiele Veiligheid, Juridische Directie, FOD Binnenlandse Zaken);
- Peter Huygaerts (Provincie Vlaams-Brabant);
- Afgevaardigde Provincie Waals Brabant;
- Afgevaardigde Brandweer Brussel;
- Ivo Devijver (Brandweer Vereniging Vlaanderen);
- Alain Gibson (Koninklijke Belgische Brandweerfederatie);
- Marie Nerincx (gouverneur arrondissement Brussel-Hoofdstad);
- Yves Verbrugghe (gouverneur arrondissement Brussel-Hoofdstad);
- Pierre Menu (Beprobel);
- Marc Lenelle (Kabinet Minister Cerexhe);
- Afgevaardigde Kabinet Minister van Binnenlandse Zaken.
top